Wat de Cijfers Zeggen over Gemiddeld Speelgedrag en Verlies

Het gemiddelde beschrijft bijna niemand
Er is één getal dat in elk gesprek over dit onderwerp opduikt: het gemiddelde verlies per maand. Het is ook het getal dat het minst zegt over wat er werkelijk gebeurt, en dat komt doordat de onderliggende verdeling zo scheef is dat een gemiddelde er nauwelijks betekenis aan ontleent.
Het gemiddelde verlies per gebruikt spelersaccount lag in de tweede helft van 2026 op 73 euro per maand, tegen 77 euro het halfjaar ervoor. De mediaan lag op 47 euro. Dat verschil van ruim vijfentwintig euro tussen gemiddelde en midden is geen meetfout; het is de handtekening van een verdeling waarin een kleine groep enorm veel verliest.
Ik loop hieronder na wat dat verschil betekent, hoe de verliezen daadwerkelijk verdeeld zijn, hoe vaak mensen eigenlijk spelen en wat je met die cijfers kunt als je ze op jezelf betrekt. Dat laatste is het enige waarvoor statistiek in dit domein echt nuttig is.
Gemiddelde tegenover mediaan
De mediaan is het midden: de helft van de accounts zit eronder, de helft erboven. Het gemiddelde is de som gedeeld door het aantal, en dat betekent dat één account dat vijfduizend euro verliest evenveel invloed heeft op het cijfer als honderd accounts die vijftig euro verliezen.
Bij een symmetrische verdeling maakt dat weinig uit. Bij verliezen op de gokmarkt maakt het alles uit, want die verdeling is allesbehalve symmetrisch.

Dat verklaart waarom cijfers over deze sector zo vaak tegen elkaar in lijken te gaan. Wie het gemiddelde noemt, beschrijft een markt die gedomineerd wordt door de zwaarste spelers. Wie de mediaan noemt, beschrijft de doorsnee gebruiker. Beide zijn correct, en ze gaan over verschillende mensen.
Waarom het gemiddelde misleidt
Een voorbeeld maakt het concreet, en ik houd het bewust bij ronde getallen zonder merknaam.
Stel honderd accounts. Vijfennegentig daarvan verliezen tussen de nul en honderd euro per maand. Vijf verliezen er elk tweeduizend. Het gemiddelde komt dan uit boven de honderdveertig euro, terwijl vijfennegentig van de honderd accounts daar ver onder zitten. Het gemiddelde beschrijft in dit voorbeeld letterlijk niemand.
Zo extreem is de werkelijke verdeling niet, maar de richting is dezelfde. En dat maakt het gemiddelde tot een slecht referentiepunt als je jezelf ermee wilt vergelijken. Wie onder het gemiddelde zit, concludeert al snel dat het wel meevalt, terwijl de helft van alle accounts onder de mediaan zit die veel lager ligt.

De bruikbare vraag is dus niet of je onder het gemiddelde zit, maar aan welke kant van de mediaan je staat. Dat is een strengere maatstaf en een eerlijkere.
Er is nog een reden om voorzichtig te zijn met deze getallen, en die ligt bij de meting zelf. Een bevolkingsonderzoek onder ruim zevenduizend zeshonderd Nederlanders in het voorjaar van 2026 schatte dat vijfenzestig procent van de online spelers niet-problematisch speelt, tegen negenenzestig procent een jaar eerder. Vijftien procent viel in de categorie laag risico, elf procent in gematigd risico en negen procent in de groep met hoog risico.
Die percentages beschrijven een andere as dan de verliescijfers. Iemand kan weinig verliezen en toch een hoog risicoprofiel hebben, en omgekeerd. Wie zichzelf wil inschatten, heeft dus twee onafhankelijke meetlatten nodig: hoeveel er weggaat, en hoe het spelen zich verhoudt tot de rest van zijn leven.
De verdeling van verliezen
De officiële cijfers delen de accounts in groepen, en die groepen zijn zeer ongelijk van omvang en van betekenis.
De meerderheid, 54 procent van de accounts, zit per maand tussen honderd euro winst en honderd euro verlies. Dat is de brede middengroep waarin de meeste mensen zich zullen herkennen. Daarnaast verliest 36 procent tussen de honderd en duizend euro per maand.
En dan is er de staart: 0,6 procent van de accounts, ongeveer vijftigduizend stuks, verliest meer dan duizend euro per maand.
Wat die staart bijzonder maakt, is niet alleen de omvang van het verlies maar wat er commercieel mee gebeurt. Accounts met meer dan duizend euro verlies per maand zijn samen goed voor vijftien procent van het brutospelresultaat. Het leeuwendeel van de opbrengst komt van de middengroep die tussen de honderd en duizend euro verliest.
Er zit nog een cijfer in de verdeling dat het beeld compleet maakt. Als je kijkt naar wat spelers over een langere periode kwijtraken in plaats van per account per maand, dan verloor een speler in de tweede helft van 2026 gemiddeld 124 euro per maand, tegen 117 euro in de eerste helft van dat jaar en 160 euro in de tweede helft van 2024. Dat cijfer ligt hoger dan het bedrag per account, en dat is logisch: veel mensen spelen bij meerdere aanbieders tegelijk.
Het onderscheid tussen die twee getallen is precies waar de meeste verwarring vandaan komt. Een verlies per account zegt iets over één relatie met één aanbieder; een verlies per speler zegt iets over een persoon. Wie bij drie partijen speelt, kan bij elk daarvan keurig onder het gemiddelde per account zitten en toch ruim boven het gemiddelde per speler uitkomen.
Dat is een verschuiving ten opzichte van de situatie voor de invoering van de beschermingsmaatregelen in oktober 2024. Toen leunde de sector veel zwaarder op de kleine groep met extreme verliezen. Een markt die drijft op een brede middengroep gedraagt zich anders dan een markt die drijft op een handvol zware spelers, en dat werkt door in productontwikkeling, in marketing en in hoe hard een aanbieder een vertrekkende klant achternagaat.
Hoe vaak mensen werkelijk spelen
Frequentie is het cijfer waar ik zelf het meeste waarde aan hecht, en het krijgt structureel te weinig aandacht.
Met 46 procent van de gebruikte accounts wordt gemiddeld minstens vier keer per maand gespeeld. Met 0,4 procent wordt dagelijks gespeeld. Jongvolwassenen spelen per account op minder dagen dan oudere spelers: gemiddeld vier dagen per maand tegen 5,8 voor oudere spelers.

Dat verschil tussen jong en oud is bovendien niet wat mensen verwachten. Jongvolwassenen worden vaak neergezet als de groep die het intensiefst speelt, en in aantallen accounts klopt dat ook. In speelfrequentie per account klopt het niet: zij spelen op minder dagen en verliezen per account minder dan oudere spelers. Wat hen kwetsbaar maakt is niet de intensiteit maar het aantal accounts en het inkomen waarover zij beschikken.
De reden dat frequentie relevanter is dan bedrag, is dat zij eerder verandert. Iemand die van twee naar acht speeldagen per maand gaat, verandert zijn gedrag ingrijpend, ook als het bedrag per keer gelijk blijft. Het totale verlies volgt daarna vanzelf, maar dan ben je al een aantal maanden verder.
Er is ook een structurele reden om hier scherp op te zijn. De voorzitter van de toezichthouder verwoordde het zo dat kansspelen inmiddels volstrekt genormaliseerd zijn, zeker onder jongeren, en dat terwijl gokken minstens zo’n risicovolle bezigheid is als drinken. Bij een genormaliseerde activiteit die op elk moment op je telefoon beschikbaar is, is frequentie het eerste wat opschuift zonder dat iemand het merkt.
Wat je hiermee kunt als je het op jezelf betrekt
Drie vergelijkingen, en ze kosten je samen vijf minuten per maand.
Leg je maandelijkse verlies naast de mediaan van 47 euro en niet naast het gemiddelde van 73. Dat is de strengere en de eerlijkere maatstaf, want de helft van alle accounts zit onder die 47.
Tel je speeldagen in plaats van je euro’s. Zit je boven de vier dagen per maand, dan hoor je bij de bovenste helft in frequentie. Dat is op zichzelf geen probleem, maar het is wel het cijfer waarvan je de ontwikkeling over een half jaar zou moeten kennen.

Doe die telling bovendien op basis van je bankafschrift en niet op basis van de overzichten van aanbieders. Speel je bij meer dan één partij, dan geeft elk afzonderlijk overzicht je een geruststellend deelbeeld, terwijl alleen je rekening het geheel laat zien. Dat verschil tussen deelbeeld en totaalbeeld is precies waar de kloof tussen verlies per account en verlies per speler vandaan komt.
En kijk of je in enige maand boven de duizend euro verlies uitkwam. Die grens markeert een groep van 0,6 procent van de accounts, en één maand daarboven is een uitschieter terwijl twee opeenvolgende maanden een patroon zijn. Het onderscheid tussen die twee is het enige dat er in deze hele reeks cijfers werkelijk toe doet, want een uitschieter overkomt bijna iedereen een keer en een patroon niet.
Een laatste opmerking bij dat rekenwerk: als er een maand met een positief saldo tussen zit, verandert er fiscaal niets zolang je bij een vergunninghouder speelt. Wat er in dat geval wel en niet gebeurt, staat uitgewerkt bij wat er fiscaal met een positief saldo gebeurt.