Kanalisatie — Waarom 91 Procent en 53 Procent Allebei Kloppen
Twee cijfers over dezelfde markt, veertig procentpunt uit elkaar
Er is geen getal in deze sector dat zo vaak verkeerd wordt geciteerd als de kanalisatiegraad. Dat komt niet doordat de cijfers onbetrouwbaar zijn, maar doordat er twee volstrekt verschillende cijfers bestaan die allebei kanalisatie heten.
Het ene zegt dat ruim negentig procent van de Nederlandse spelers bij legale aanbieders speelt. Het andere zegt dat iets meer dan de helft van het geld bij legale aanbieders terechtkomt. Allebei correct, allebei uit dezelfde bron, en samen vertellen ze een verhaal dat geen van beide alleen kan vertellen.
Ik leg hieronder uit hoe die twee worden gemeten, wat het gat ertussen verklaart, waar de trend heen beweegt en wat je hier als speler concreet uit kunt afleiden.
Twee manieren om dezelfde markt te meten
Kanalisatie is de verhouding tussen het legale en het illegale deel van de markt. Zo simpel is de definitie, en zo lastig is het meten ervan.
De eerste methode telt mensen. Onderzoekers volgen het webverkeer van een panel en kijken welk deel van de spelers uitsluitend legale sites bezoekt. Dat levert een hoog getal op, want de meeste mensen die online spelen doen dat gewoon bij een vergunde partij.
De tweede methode telt geld. Daarbij wordt geschat welk deel van het totale brutospelresultaat bij legale aanbieders belandt, onder meer op basis van zoekvolume en marktmodellen. Dat levert een veel lager getal op.

Beide zijn verdedigbaar en beide worden gepubliceerd. De verwarring ontstaat pas als iemand er één uitkiest zonder te zeggen welke, en dat gebeurt in vrijwel elke samenvatting die je tegenkomt.
Het loont om te weten waar die getallen vandaan komen, want dat bepaalt hoe hard ze zijn. De spelersmeting rust op een panel van ongeveer zesduizend Nederlanders bij wie software automatisch registreert welke sites en apps zij gebruiken. Het voordeel daarvan is dat er niets gevraagd wordt en dus niets vergeten of verzwegen kan worden. Het nadeel is dat het aantal panelleden dat volgens de definitie speler is, met een paar honderd betrekkelijk klein is, en dat de uitkomsten opgehoogd moeten worden naar de hele bevolking met wegingsfactoren.
Dat is geen theoretisch bezwaar. In een eerdere rapportageperiode veroorzaakten enkele panelleden met een zwaar gewicht een stijging in het geschatte aantal spelers waarvan de toezichthouder zelf aangaf dat die vermoedelijk niet reëel was. Wie deze cijfers leest, moet dus met de orde van grootte werken en niet met de decimalen.

De geldmeting kent een andere zwakte. Zij schat de omvang van het illegale deel op basis van modellen en zoekvolume, en er valt per definitie niet na te tellen wat er buiten het zicht van de toezichthouder omgaat. Toen die methode werd verbeterd, verschoof het cijfer over een eerdere periode meteen van 49 naar 56 procent. Dat is geen kleine correctie, en het laat zien hoe gevoelig dit getal is voor de gekozen methode.
Spelers tellen of geld tellen
Zelfs binnen de eerste methode zijn er twee antwoorden, en dat is een detail dat zelden wordt genoemd.
De kanalisatiegraad naar spelersaantallen is 91 of 95 procent, afhankelijk van hoe je de groep behandelt die zowel legaal als illegaal speelt. Reken je die mee bij het legale kamp, dan kom je op 95 procent. Reken je ze niet mee, dan kom je op 91. Beide zijn verdedigbaar en daarom worden ze allebei getoond.
De maandelijkse verdeling maakt het concreet: ongeveer 480 duizend mensen spelen uitsluitend bij legale aanbieders, 20 duizend bij zowel legale als illegale, en 30 duizend uitsluitend bij illegale partijen. Samen 520 duizend spelers per maand. Die 20 duizend in het midden zijn de hele reden dat er twee percentages bestaan.

Aan de geldkant is er maar één getal, en dat staat op 53 procent, tegen 56 procent in de vorige rapportageperiode. Iets meer dan de helft van het geld blijft binnen het gereguleerde stelsel.
Wat het gat tussen de twee verklaart
Als negentig procent van de mensen legaal speelt maar slechts de helft van het geld legaal omgaat, dan is er maar één mogelijke verklaring: de minderheid die illegaal speelt, zet veel meer in.
Dat is precies wat er aan de hand is, en het is geen toeval. De spelers die tegen limieten aanlopen op de legale markt zijn per definitie de spelers die veel inzetten. Zij zijn ook de groep met de sterkste prikkel om uit te wijken naar een aanbieder die geen limiet hanteert, geen inkomenstoets uitvoert en niet in het uitsluitingsregister kijkt.
Je kunt dat ook omdraaien en dan wordt het onaangenamer. De dertigduizend mensen die uitsluitend buiten het stelsel spelen, vertegenwoordigen samen een bedrag dat in de buurt komt van wat een half miljoen legale spelers omzetten. Dat is geen gelijkmatige verdeling met een uitschieter; dat is een compleet ander uitgavenprofiel.

Het gevolg is een markt die in aantallen overwegend legaal is en in geld ongeveer half. Die twee beelden botsen alleen als je vergeet dat spelers onderling enorm verschillen in hoeveel zij uitgeven.
Het is ook de verklaring waarom de toezichthouder vermoedt dat illegale aanbieders spelers aan aanzienlijk hogere verliezen blootstellen: daar zit vrijwel geen bescherming tussen, en de groep die daar terechtkomt is juist de kwetsbaarste in financiële zin.
Waar de trend heen beweegt
Langzaam de verkeerde kant op, en dat wordt in de rapportages ook zo benoemd.
De geldkanalisatie zakte van 56 naar 53 procent, en dat past in een langere lijn van geleidelijke daling. De spelerskanalisatie blijft hoog maar loopt eveneens langzaam terug. Geen van beide beweegt schoksgewijs; het is een kwestie van enkele procentpunten per rapportageperiode.
De toezichthouder heeft daar een expliciete doelstelling tegenovergezet: minstens negentig procent van de spelers moet bij legale aanbieders blijven. Dat is een doel op de spelersmaat en niet op de geldmaat, wat veelzeggend is over welk van de twee getallen als stuurinformatie wordt gebruikt.

Er zit een spanning in die doelstelling die zelden hardop wordt benoemd. Elke maatregel die spelers op de legale markt beschermt, verhoogt tegelijk de prikkel voor de zwaarste spelers om buiten dat stelsel te gaan zoeken. Vanuit de Europese branchevereniging is dat argument herhaaldelijk gemaakt: het invoeren van stortingslimieten lijkt voor buitenstaanders logisch, maar het effect is dat juist de mensen die veel spelen — de groep die je het hardst zou willen beschermen — naar de zwarte markt uitwijken.
Of dat argument klopt, valt uit deze cijfers niet hard te bewijzen. Wat je wél ziet, is dat de daling van de geldkanalisatie samenvalt met de periode waarin de beschermingsmaatregelen zijn ingevoerd. Correlatie is geen oorzaak, maar de timing is te opvallend om weg te wuiven, en het is precies de reden dat het beleid zich inmiddels net zo hard op het illegale aanbod richt als op het legale.
De ingrepen om die kant op te bewegen richten zich steeds minder op de aanbieders zelf en steeds meer op de infrastructuur eromheen. Hoe dat werkt en waarom betaalpartijen daar een sleutelrol in spelen, komt aan bod in de bespreking van hoe toezichthouders de illegale keten aanpakken.
Wat je hier zelf uit kunt afleiden
Twee dingen, en het tweede is ongemakkelijker dan het eerste.
Het eerste is dat de kans dat je zelf bij een illegale partij zit, statistisch klein is. Van elke twintig spelers spelen er negentien uitsluitend legaal. Als je bij een bekende Nederlandse aanbieder speelt die je in het register terugvindt, hoor je bij die groep en is er weinig aan de hand.
Het tweede is dat het geldcijfer je iets vertelt over waar je terechtkomt als je tegen een grens aanloopt. De 53 procent bestaat grotendeels uit mensen die op enig moment een reden hadden om buiten het stelsel te gaan spelen — een limiet, een inkomenstoets, een uitsluiting. Dat is geen abstracte statistiek maar een beschrijving van een route die iedereen open ligt.
Er is nog een praktische les die uit het gat tussen beide cijfers volgt. Als je ergens leest dat een bepaald percentage van de spelers “kiest” voor illegaal aanbod, dan is dat vrijwel altijd het geldcijfer verkeerd geïnterpreteerd. Kiezen doen mensen, en van de mensen kiest ongeveer één op de twintig daarvoor. Het geld verdeelt zich alleen heel anders dan de mensen.
Wie de betekenis van die getallen begrijpt, leest berichtgeving over deze markt bovendien een stuk kritischer. Een kop die roept dat “de helft van het gokgeld illegaal is” en een kop die roept dat “negentig procent legaal speelt” kunnen allebei op dezelfde rapportage van dezelfde dag gebaseerd zijn. Ze meten alleen iets anders.