Sportweddenschappen binnen de Nederlandse Online Markt in Cijfers

Het segment is kleiner dan vrijwel iedereen aanneemt
Vraag een willekeurige Nederlander hoe de online gokmarkt eruitziet en je krijgt een antwoord waarin sportweddenschappen centraal staan. Dat is logisch: sport is zichtbaar, sport heeft een publiek, en sportsponsoring heeft jarenlang het beeld bepaald.
De cijfers vertellen iets anders. Sportweddenschappen zijn goed voor twintig procent van het brutospelresultaat in Nederland. Vier van de vijf euro’s die de sector verdient, komen ergens anders vandaan — vrijwel volledig uit casinospelen tegen het huis.
Dat verschil tussen beeld en werkelijkheid is de moeite waard om te begrijpen, want het verklaart hoe aanbieders zich gedragen, waarom hun aanbod eruitziet zoals het eruitziet, en waarom een sportwedder een ander soort klant is dan een casinospeler. Ik loop de cijfers hieronder na.
Hoe groot het segment werkelijk is
Vier segmenten delen de Nederlandse online markt, en de verdeling is extreem scheef.
Casinospelen tegen het huis — tafelspelen en speelautomaatspellen — vormen het overgrote deel. Sportweddenschappen komen op twintig procent. Casinospelen waarbij spelers tegen elkaar spelen, waaronder poker en bingo, zijn goed voor 1,8 procent. En paardenweddenschappen, in Nederland een eigen categorie, komen niet verder dan 0,2 procent.
Zet dat om in euro’s en het wordt concreet. Bij een brutospelresultaat van 602 miljoen euro over een half jaar praat je over ongeveer 120 miljoen euro aan sportweddenschappen in zes maanden. Dat is een serieuze markt, maar het is niet de markt die de beeldvorming suggereert.

Die twintig procent is bovendien opvallend stabiel. Waar het totale brutospelresultaat sinds de invoering van de nieuwe beschermingsregels met ongeveer achttien procent daalde ten opzichte van 2024, bewoog het aandeel van sport binnen dat totaal nauwelijks. De krimp trof de segmenten dus vrij gelijkmatig, en niet — zoals je zou kunnen vermoeden — vooral het casinodeel waar de zwaarste verliezen zitten.
Dat is een aanwijzing dat de maatregelen niet zozeer bepaalde speltypen hebben geraakt als wel bepaalde spelers. Wie tegen een limiet aanloopt, speelt minder van alles, en niet minder van één ding.
De verhouding in vergunningen ligt daar dicht bij. Twintig van de vergunninghouders mochten per eind juli 2026 sportweddenschappen aanbieden, tegen zesentwintig voor casinospelen tegen het huis. Bijna iedereen doet casino; een ruime meerderheid doet daarnaast sport.
Waarom de maanden zo sterk verschillen
Sportweddenschappen zijn het enige segment waarin het resultaat van maand tot maand fors schommelt, en dat heeft twee oorzaken die niets met elkaar te maken hebben.
De eerste is de kalender. Een maand met een groot toernooi ziet er anders uit dan een maand zonder. Casinospelen kennen dat effect niet: een gokkast draait in juli hetzelfde als in november.

De tweede oorzaak is fundamenteler en wordt vaak vergeten. Bij casinospelen ligt het huisvoordeel vast en is de uitkomst over voldoende volume vrijwel voorspelbaar. Bij sportweddenschappen niet: de uitkomst van een klein aantal grote wedstrijden bepaalt in belangrijke mate wat een aanbieder over die maand verdient. Verliest hij een reeks favorietenzeges, dan zakt zijn resultaat, hoeveel er ook is ingezet.
Dat maakt sport voor een aanbieder een volatiel product en voor een speler een eerlijker product, in de zin dat de uitkomst niet vooraf vaststaat op de manier waarop dat bij een gokkast wel het geval is.
Wie er speelt
De sportwedder onderscheidt zich van de casinospeler op twee meetbare punten, en beide zijn contra-intuïtief.
Het eerste is het verlies. Accounts waarmee uitsluitend sportweddenschappen worden gespeeld, verliezen structureel minder dan accounts waarmee ook casinospelen worden gespeeld. Het gemiddelde verlies per gebruikt account lag in de tweede helft van 2026 op 73 euro per maand, met een mediaan van 47 euro — en binnen die cijfers zit sport aan de lagere kant.

Het tweede is het overlappatroon, en dat is asymmetrisch op een manier die veel zegt. Van de accounts die voor sportweddenschappen worden gebruikt, wordt 46 procent óók voor casinospelen ingezet. Andersom geldt dat maar voor 20 procent: van de accounts waarmee casino wordt gespeeld, wordt slechts een vijfde ook voor sport gebruikt.
Er is nog een verschil dat in de speelfrequentie zit. Van alle gebruikte accounts wordt met 46 procent minstens vier keer per maand gespeeld en met 0,4 procent dagelijks. Voor sportaccounts ligt dat patroon anders dan voor casinoaccounts: sport volgt de speelkalender en kent daardoor natuurlijke pauzes, terwijl een casinoaccount elke dag even beschikbaar is. Dat verschil in ritme is minstens zo bepalend voor het totale verlies als het bedrag per inzet.
Met andere woorden: sportwedders komen makkelijk bij het casino terecht, casinospelers veel minder makkelijk bij de sport. Voor een aanbieder is sport daarmee vooral interessant als instroomkanaal, en dat verklaart waarom partijen met een casinovergunning zo vaak een wijzigingsverzoek indienen om sportweddenschappen toe te voegen.
Hoe sport zich verhoudt tot casino
Drie verschillen die samen bepalen hoe de markt eruitziet.
Sport is kleiner in omzet maar breder in publiek. Twintig procent van het resultaat komt van een groep die relatief groot is en per persoon minder verliest. Casino is het omgekeerde: minder mensen, meer geld per persoon.
Dat verschil in publiek heeft ook gevolgen voor hoe zichtbaar het segment is. Een groep die groot is en per persoon weinig uitgeeft, valt maatschappelijk meer op dan een groep die klein is en veel uitgeeft. Sport bepaalt daardoor het beeld van de sector terwijl casino het geld levert, en die scheefheid verklaart een flink deel van het publieke debat over dit onderwerp.

Sport is volatiel, casino is voorspelbaar. Dat maakt casino bedrijfseconomisch aantrekkelijker en verklaart waarom vrijwel elke vergunninghouder het aanbiedt, terwijl paardenweddenschappen met 0,2 procent van de markt door slechts drie partijen daadwerkelijk worden geëxploiteerd hoewel negen er een vergunning voor hebben.
Er is bovendien een verschil in hoe de twee segmenten zich verhouden tot de spreiding over aanbieders. Sportwedders vergelijken quoteringen en houden daarom vaker accounts bij meerdere partijen aan; casinospelers hebben daar veel minder reden toe, omdat hetzelfde spel bij elke aanbieder ongeveer hetzelfde uitpakt. Dat verklaart een deel van de stijging van het aantal gebruikte accounts terwijl het aantal spelers niet meegroeide.
En sport heeft een ander leeftijdsprofiel. Jongvolwassenen wedden verhoudingsgewijs meer op sport dan oudere spelers, en dat is precies de groep waar het beleid de meeste aandacht aan besteedt. Hoe die verhouding eruitziet en waarom zij zo scheef ligt, komt aan bod in de bespreking van waarom jongvolwassenen relatief meer op sport wedden.
Wat ik uit deze cijfers haal
Twee dingen die je als speler direct kunt gebruiken.
Het eerste is dat het aanbod dat je ziet niet is ingericht op jou als sportwedder. Twintig procent van de markt betekent dat het merendeel van de productontwikkeling, de vormgeving en de promotie zich richt op casinospelen. De sportsectie is bij veel aanbieders een degelijke maar niet de best doordachte hoek van het huis, en dat merk je aan de interface.
Het tweede is dat de overstap van sport naar casino statistisch de meest afgelegde route in deze markt is. Bijna de helft van de sportaccounts eindigt ook bij casinospelen, terwijl casinospelers zelden de omgekeerde beweging maken. Dat is geen toeval en het is geen persoonlijke zwakte; het is de voorspelbare uitkomst van een omgeving waarin het ene product één klik van het andere ligt en waarin het ene aanzienlijk sneller speelt dan het andere.
Er volgt nog een derde ding uit deze cijfers, en dat is misschien het nuttigste. Omdat sport slechts een vijfde van de markt uitmaakt, zeggen algemene cijfers over “online gokken in Nederland” weinig over jouw situatie als je uitsluitend op sport wedt. Het gemiddelde verlies, de verdeling van speeldagen en de risicoprofielen worden allemaal gedomineerd door het casinodeel. Wie zichzelf langs die gemiddelden legt, vergelijkt zich met een groep waar hij niet in zit.
Dat is geen reden om de cijfers te negeren, wel om ze te lezen met de vraag welk segment eronder ligt. Waar dat onderscheid wordt gemaakt — en dat gebeurt in de officiële rapportages consequent — verschuiven de conclusies merkbaar.
Wie zich daarvan bewust is, kijkt anders naar een account dat “gewoon voor het voetbal” is aangemaakt. Niet omdat er iets mis is met die overstap, maar omdat het de moeite waard is om te weten dat je hem waarschijnlijk gaat maken.